vrijdag 8 december 2017

Jeroen De Ridder


Van Sinterklaas kreeg ik een filosoof cadeau!
Jeroen De Ridder.
Met als specialiteit epistemologie.
Dat zijn filosofen die nog meer dan andere filosofen een voorliefde voor het woord "kunnen" hebben.
Wat kunnen we weten?
Wat kunnen we begrijpen?

https://bijnaderinzien.org/2017/12/05/kan-zwarte-piet-racisme-zijn/

KAN ZWARTE PIET RACISME ZIJN ?

Stelt u zich eens een samenleving ver, ver weg voor: Rodinia. De mensen daar vieren één keer per jaar een vrolijk feest, waarbij kinderen cadeaus en snoep krijgen. Hoofdrolspeler bij dat feest is de quasi-historische figuur Opperhoofd Sika. Volgens de lokale overlevering leefde deze legendarische figuur eeuwen geleden en stond hij wijd en zijd bekend om zijn liefdadigheid en hulp aan arme kinderen.
Door onduidelijk historisch toeval is het in de loop van de tijd onderdeel van het feest geworden dat Sika bijgestaan wordt door een stel onderdanige hulpjes die weliswaar ten diepste goedaardig zijn, maar ook naïef, onnozel en soms wat onaangepast. Die hulpjes zien er precies uit als Zeeuwse meisjes en Groningse boertjes: blank geschminkt, blond haar, blauwe ogen, rode blosjes op de wangen en een beetje mollig. De vrouwen dragen een wijde jurk en wit hoofdkapje, de mannen een blauwe overal, rode zakdoek en een pet. Verder natuurlijk geel met rode houten klompen en een bos tulpen in de hand. Als ze wat zeggen, gaat dat in een overdreven plat accent.
In de loop van de jaren zijn er heel wat Nederlanders geëmigreerd naar Rodinia. Zoals dat vaker gaat met immigranten, zijn deze Nederlanders deels best goed geïntegreerd, maar ze hebben ook wel wat problemen. De werkloosheidscijfers onder Nederlanders zijn in verhouding aan de hoge kant, werkende Nederlanders hebben vaak laagbetaalde banen met weinig status en er zitten bijna geen Nederlanders op invloedrijke posities. Ze zijn ook oververtegenwoordigd in de criminaliteit. Met een Nederlandse achternaam word je minder snel uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek, in uitgaansgelegenheden kom je moeilijker binnen en als onze Nederlanders in den vreemde luidruchtig Koningsdag vieren, wil het nogal eens uitlopen op vechtpartijen. Rodiniërs met een Nederlandse migratieachtergrond zitten, kortom, in de positie van underdog.
Het ontgaat onze landgenoten niet dat de hulpjes bij het vrolijke kinderfeest van Sika nogal wat weg hebben van een karikatuur van Nederlanders. Die karikatuur is dan misschien niet echt kwaadaardig, maar toch ook weinig sympathiek. Nederlandse kindertjes worden voor de grap op school wel eens Zeeuws meisje genoemd als ze een boterham met kaas eten of iets doms doen. In dorpjes op het platteland waar weinig Nederlanders wonen, schrikken de kleine kinderen van de enkele Nederlander die ze soms zien lopen en roepen dan tegen hun vader of moeder dat ze een Gronings boertje zien.
U zult de vraag inmiddels wel aan voelen komen: is het denkbaar dat Nederlanders in deze samenleving de hulpjes van Sika niet zo leuk en onschuldig vinden? Of misschien zelfs wel dat ze deze figuren zien als symbolisch voor de kleine, alledaagse gevallen van discriminatie waar veel van hen regelmatig mee te maken hebben en dat ze er daarom een hekel aan krijgen? Kunt u zich voorstellen dat ze ervoor pleiten om de Zeeuwse meisjes en Groningse boertjes te re-stylen als lokale boerinnen en boeren en tenminste de klompen en tulpen voortaan achterwege te laten? En dat ze dan niet zo onder de indruk zijn van het argument dat Zeeuwse meisjes en Groningse boertjes nooit bedacht zijn om te discrimineren, maar er door puur toeval zo uit zijn komen te zien? En dat ze het wel wat bizar vinden als de minister-president op een internationale bijeenkomst met regeringsleiders naar aanleiding van kritische vragen verklaart dat hij er niks aan kan doen hoe die hulpjes eruit zien omdat het traditie is en ze nu eenmaal uit Zeeland en Groningen komen?

Ik hoop dat ik de intelligentie van de lezer niet beledig als ik het punt nog even expliciet maak. Het doet er niet zoveel toe of Zwarte Piet ooit als racistisch stereotype bedoeld was. Ook als we met 100% zekerheid zouden kunnen vaststellen dat dat niet zo is, kan het nog steeds zo zijn dat deze figurant in ons vrolijke en onschuldige Nederlandse kinderfeest anno nu wel degelijk kwetsend en racistisch is. Historische argumenten voor de onschuld van Zwarte Piet zijn irrelevant. Zwarte Piet kan racisme zijn, ook als hij het historisch gezien niet.

“Historische argumenten voor de onschuld van Zwarte Piet zijn irrelevant. Zwarte Piet kan racisme zijn, ook als hij het historisch gezien niet was.”
Stel dat Sinterklaas hemzelve zich het volgende zou laten ontvallen: “Het is nu vijf december, bijna 18.00 uur. Mijn werk zit er op.
Voor het eenvoudige werk, het ronddragen van de pakjes, heb ik hier nog wel wat Zwarte Pieten rondlopen.”
(Het zou zelfs nog groffer kunnen, gebruik je verbeelding.)
Helaas, het zou een maat voor niets zijn.
Het is nu iets na 18.00 uur.
Historische argumenten voor de schuld van Sinterklaas zijn irrelevant.
Like
  1. Dit is te subtiel voor mijn begripsvermogen. Mijn beoogde conclusie is dat je historische argumenten niet per se nodig hebt als je het punt wilt maken dat Zwarte Piet racistisch is. Het betoogje is dus alleen een reactie op het veelgehoorde argument dat Zwarte Piet niet racistisch kan zijn omdat het vroeger nooit zo bedoeld was. Die reden gaat niet op, zo probeer ik te zeggen.
    Doet verder niets af aan het feit dat historische argumenten misschien wel nuttig kunnen zijn voor andere dingen, of zelfs mijn conclusie zouden kunnen versterken.
    Like
    1. “Come, we shall have some fun now’, thought Alice….
      “Zwarte Piet kan racisme zijn, ook als hij het historisch gezien niet is”, WAS de conclusie van je betoogje.
      Maar dat neemt uiteraard niet weg dat het NU “Je hebt niet per se historische argumenten nodig” IS.
      Like
    2. De grap ontgaat me. Je citeert twee wat mij betreft gelijkwaardige formuleringen van mijn conclusie en suggereert dat je daarmee een punt hebt gemaakt. Ik zie het niet.

Mijn laatste reactie werd niet meer gepubliceerd.
Onder het motto "moet kunnen!" alsnog exclusief op deze site.

Ik zou graag nog één keer reageren. Want mekaar niet begrijpen is veel erger dan het met mekaar oneens zijn.
Cruciaal in een betoog lijkt mij het onderscheid tussen het argument en de conclusie. Het argument en de conclusie worden van elkaar gescheiden door het woord “omdat”.
“Zwarte Piet kan racisme zijn, ook als hij het historisch gezien niet was OMDAT historische argumenten voor de onschuld van Zwarte Piet irrelevant zijn.”
Het eerste deel is de conclusie, het tweede deel is het argument.
“Omdat” ontbrak in de paragraaf.
Ik had het wel zo geïnterpreteerd omdat het argument (Historische argumenten voor de onschuld van Zwarte Piet zijn irrelevant) vooraf ging aan de conclusie (Zwarte Piet kan racisme zijn, ook als hij het historisch gezien niet was.)
Mijn fout. Het is jouw tekst uiteraard.
“Zwarte Piet kan (niet) racistisch zijn OMDAT …”
Dat is naar mijn mening een totaal andere conclusie, een conclusie die mijn interesse niet wegdraagt en waar ik dus ook niet wens op te reageren. Noch op de conclusie, noch op de eventuele argumenten.
Als de lezer de conclusie op een andere manier interpreteerde dan de schrijver is het natuurlijk de vraag in hoeverre de schrijver zich correct had uitgedrukt. Vandaar mijn verwijzing naar Alice in Wonderland.
De tekst vervolgt aldus:
“Come, we shall have some fun now!” thought Alice. “I’m glad they’ve begun asking riddles. — I believe I can guess that,” she added aloud.
“Do you mean that you think you can find out the answer to it?” said the March Hare.
“Exactly so,” said Alice.
“Then you should say what you mean,” the March Hare went on.
“I do,” Alice hastily replied; “at least–at least I mean what I say–that’s the same thing, you know.”
“Not the same thing a bit!” said the Hatter. “You might just as well say that ‘I see what I eat’ is the same thing as ‘I eat what I see’!”
“You might just as well say,” added the March Hare, “that ‘I like what I get’ is the same thing as ‘I get what I like’!”
“You might just as well say,” added the Dormouse, who seemed to be talking in his sleep, “that ‘I breathe when I sleep’ is the same thing as ‘I sleep when I breathe’!”
Tot wederhoren.

zondag 3 december 2017

Dory


Kortetermijngeheugenverlies: Bij het einde van het woord niet meer weten wat je verloren hebt.


De leestips van Louis Tobback.
https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2017/11/19/de-vijf-boeken-die-het-leven-van-louis-tobback-hebben-veranderd/

   3. De pest - Albert Camus


"Herman Van Rompuy en ik hebben dit ooit nog besproken, maar Herman Van Rompuy heeft besloten om te gaan geloven", zegt Tobback. De Franse schrijver Albert Camus noemt hij "een uitgewerkte versie van Walschap". "Bij Walschap was er vooral veel ressentiment tegenover de kerk, bij Albert Camus niet. Bij Camus gaat het meer om een puur filosofische aangelegenheid."
Louis Tobback noemt zichzelf een agnosticus. "Bestaat God? Ik weet het niet, maar als hij bestaat, moet ik hem verfoeien. Denk maar aan de kinderen van Aleppo of de moordpartij in Texas van enkele weken geleden. Zijn enige excuus is dat hij er niet is."
Van Camus heeft Tobback nog meer geleerd: "Verdraagzaamheid, het belang van solidair te zijn met anderen en het concept van 'l'homme révolté'."

zaterdag 2 december 2017

Jonas Geirnaert

In een recente aflevering van De Slimste Mens maakte ik als jurylid een aantal running jokes over fictieve personages die het slachtoffer werden van de (helaas niet fictieve) zuurgooier in de Delhaize. Ik wil me hiervoor bij een aantal mensen oprecht verontschuldigen, en bij een aantal mensen wil ik dat uitdrukkelijk niet.
Mijn oprechte verontschuldigingen gaan uit naar het slachtoffer van de zuuraanval in de Delhaize, en haar familie. Ik ben altijd van mening geweest dat je overal grappen over moet kunnen maken, ook over hele erge onderwerpen, en dat vind ik nog steeds. Maar ik begrijp ook dat dat voor de directe betrokkenen confronterend en kwetsend is overgekomen. Ik heb geen enkele moeite om toe te geven dat ik daar in dit specifieke geval niet voldoende bij heb stilgestaan. En ook al heb ik in geen van die grappen gelachen met de echte gebeurtenissen, laat staan met het slachtoffer zelf: als ik daar iemand van de betrokkenen leed mee berokkend heb, dan wil ik me daar oprecht voor verontschuldigen.
Bij wie ik me uitdrukkelijk niét wil verontschuldigen is de Nieuwsblad-journalist die uit zes negatieve reacties op Twitter in luttele minuten tijd een artikel gewrongen heeft, gemakshalve veralgemenend getiteld ‘Kijkers kunnen niet lachen met grappen over zuurgooier in ‘De Slimste Mens’’, online gegooid toen de aflevering in kwestie nog niet afgelopen was. Ook niet bij de eindverantwoordelijke bij Het Nieuwsblad die dit nieuwswaardig vond. Ik ben al vijftien jaar bezig als comedian, en ik begin dit soort hypocriete verkoopstrucs en het flinkheidsopbod over wat wel en niet mag in humor eerlijk gezegd echt moe te worden.
Op de hypocrisie kom ik straks terug, laat ik eerst even de verkoopstruc uitleggen. Comedian A zegt iets over bevolkingsgroep B. Op dag één wordt dat opgeklopt tot een hetze-die-er-geen-was-en-nooit-een-had-hoeven-zijn. Dat genereert goedkope bladvulling. Op dag twee wordt de comedian uit zijn kot gelokt met een tegenreactie. Gratis bladvulling. Op dag drie schrijft iemand anders dan een tegenreactie tegen die tegenreactie. Nog meer gratis bladvulling. Op dag vier schrijft de hoofdredacteur dan een afrondend opiniestuk over de hele hetze-die-er-geen-was-en-nooit-had-hoeven-zijn, en zo blijft het winkeltje draaien. Nieuwswaarde nihil, maar: voor bijna geen geld.
Ik heb er dan ook voor gekozen deze bijdrage niet naar Het Nieuwsblad te sturen, of naar Gazet Van Antwerpen of Het Belang Van Limburg – de zusterkranten die de artikelen overnamen. Want ditmaal gun ik hen de gratis bladvulling niet. Mocht u als lezer deze woorden alsnog tot u nemen via één van bovenvermelde titels of hun websites, dan hebben ze mijn punt enkel bevestigd. Wel wil ik benadrukken dat ik niet in de val der veralgemening wil trappen: ik weet zeer goed dat bij al deze kranten hoofdzakelijk capabele en correcte journalisten werken, die geen aandeel hebben in mijn huidige ongenoegen.

Dan iets over de grappen zelf. Ik heb de aflevering van De Slimste Mens van dinsdag herbekeken, en ik vond de grappen in kwestie goed. Echt goed. Nog steeds. Ik heb van meerdere mensen die ik van een gevoel voor humor verdenk vernomen dat ze er heel hard om moesten lachen. Wil dat zeggen dat iedereen ze daarom grappig moest vinden? Absoluut niet. Maakt dat de grappen minder hard? Nee. Is het mogelijk dat er mensen gekwetst zijn door die grappen? O ja. 

Maar het eenvoudige feit dat er heel veel mensen wél om moesten lachen, geeft de grappen bestaansrecht. Punt. Een veelgemaakte foute stelling over humor is: 'Dat is echt niet grappig.' De enige juiste bewering is: 'IK vond dat echt niet grappig.' Moeten we morgen gaan eisen dat geen enkele bakker nog kiwitaartjes mag maken omdat sommige mensen dat niet te vreten vinden? Als we in die logica meegaan, ligt er overmorgen niets meer in de etalage.
De meeste mensen weten dat ik me niet onophoudelijk van harde, grove humor bedien, maar het gebeurt wel. In de rubriek Het Gat Van De Wereld in Humo hebben we al moppen gemaakt over allerlei tragedies die ik niemand ter wereld toewens: kanker, hongersnood, terreur, aids, vliegtuigrampen, vul zelf maar aan. En guess what: dat ga ik blijven doen. Een van de allerbeste grappen ooit gemaakt in ons land kwam uit de mond van iemand die ik persoonlijk – en daar mag je het oneens mee zijn - een comedy-genie vind: Gunter Lamoot. “Ze zeggen weleens: FC De Kampioenen, ge moet daar niet zo neerbuigend over doen want dat is goed in zijn genre. Goh ja. De Holocaust was ook goed in zijn genre hé.” Een grap over de Holocaust, maar wel een fenomenaal goeie. Waren er mensen door geschoffeerd? Zonder twijfel. Heeft de grap in kwestie bestaansrecht? Zeer zeker.
Van mij hoeft niet iedereen de moppen over de zuurgooier grappig te vinden. Maar de krant in kwestie had wel een keuze, en dat brengt ons bij de hypocrisie. Ze had de grappen – misplaatst of niet – namelijk kunnen laten passeren. Het kwaad was toch al geschied: IK had de betrokkenen onbedoeld gekwetst, en dat kan geen enkele krant ongedaan maken. Maar die keuze werd niet gemaakt. Want na het eerste artikel - waarin de hetze-die-er-geen-was uit het niets gecreëerd werd – bracht dezelfde krant nog een tweede, veel groter artikel. Gratis bladvulling. 

Hiervoor had ze uit eigen initiatief contact opgenomen met het slachtoffer van de zuuraanval, om haar nóg eens te confronteren met wat er gebeurd is, om haar familie nóg maar eens om een reactie te vragen, om die mensen onterecht het gevoel te geven dat de grappen tegen hén gericht waren, om de hetze zo hard mogelijk op te kloppen en vervolgens breed uit te smeren over nog maar eens een hele pagina in de krant en online. Heel eerlijk: wie heeft daar baat bij? Het slachtoffer van de zuuraanval en haar familie in elk geval niet. Voor hen was het beter geweest de - voor hen confronterende - grappen die ik maakte zo snel mogelijk te laten passeren en alles opnieuw te laten rusten. De enige die er wel baat bij had, was een krant die gevuld moest worden. En liefst zo goedkoop mogelijk.
https://www.demorgen.be/opinie/jonas-geirnaert-na-de-hetze-over-enkele-grappen-ik-wil-me-verontschuldigen-maar-niet-bij-iedereen-bfc6bd971/

Een tekst over de filosofie van de grap.
Altijd interessant.
Zou er over zo'n tekst een grap gemaakt mogen worden? 
Zou er over zo'n tekst een grap gemaakt kunnen worden?
Wat is een grap?
(auteur denkt diep na)
Bij nader inzien zijn teksten over de filosofie van de grap nooit interessant. Bladvulling.
Wat me wel opvalt is de parallel die er bestaat tussen "ongenoegen" en "grap".
Beide kan je namelijk laten passeren. Je hebt altijd wel een keuze.
En dat vind ik dan weer ontzettend grappig.
Net zoals onderstaand fragment.




zaterdag 25 november 2017

Ruben Mersch

http://www.standaard.be/cnt/dmf20171121_03200640

Academici, stelde Patrick Loobuyck in deze krant, maken te vaak de fout hun feiten te presenteren op een bedje van ideologische of politieke voorkeur. Ze slagen er niet in om het onderscheid te maken tussen wetenschappelijke feiten enerzijds en morele opinies anderzijds (DS 21 november). Dat klopt. Maar misschien kunnen ze daar niets aan doen. Misschien is dat onderscheid niet zo glashelder als Loobuyck denkt. Je overtuigingen zijn geen jas die je als academicus even kan uitdoen ­zodra je aan wetenschap begint. Alleen als we dat erkennen, kunnen we samen de moeizame tocht naar meer zekerheid aanvatten.

Donkere vs. blanke spelers
Wat gebeurt er als je een grote groep wetenschappers dezelfde vraag laat beantwoorden op basis van dezelfde dataset? Komen ze dan uiteindelijk allemaal tot dezelfde conclusie? Dat probeerde Brian Nosek, een sociaal psycholoog verbonden aan de universiteit van Virginia, te weten te komen. Hij verzamelde alle data van de voetbalwedstrijden in de eerste klasse in Engeland, Duitsland, Spanje en Frankrijk en gaf die aan 29 verschillende onderzoeksgroepen. De vraag die ze moesten beantwoorden: krijgen donkere spelers vaker een rode kaart dan blanke spelers?
Negen van de 29 onderzoeksgroepen zagen geen verschil tussen het aantal kaarten bij blanke en donkere voetballers, twintig groepen concludeerden dat donkere voetballers vaker een rode kaart aangesmeerd kregen dan blanke spelers. Over hoeveel vaker dat gebeurde, verschilden ze dan weer van mening: van 20 procent meer kans tot, volgens één onderzoeksgroep, liefst 300 procent meer kans op een kaart. Doordat elk team totaal transparant was over de gebruikte methodologie, kon Nosek op zoek gaan naar de oorzaken van deze verschillen. Die werden niet veroorzaak door fraude of methodologische fouten, maar wel door op het eerste gezicht vrij triviale beslissingen. Hou je in je analyse rekening met de positie van de speler? Want verdedigers begaan vaker overtredingen dan aanvallers, en als verdedigers ook vaak donker zijn, vertekent dat je resultaat. Hou je rekening met de leeftijd van de spelers? Want misschien zijn jonge spelers wel impulsiever en krijgen ze daarom vaker kaarten? Neem je ook het gewicht van een speler mee in het onderzoek? Zijn lengte? Met welke van deze factoren de onderzoeksgroepen rekening hielden en hoe ze dat precies deden, had een grote invloed op de uiteindelijke conclusie.

De duivel en de details
De invloed van overtuigingen op wetenschappelijke resultaten komt niet, zoals we vaak denken, door bewuste misleiding. Niet door gegevens weg te laten of te vervalsen, maar door een hele reeks kleine beslissingen. Beslissingen die vanzelfsprekend en verdedigbaar lijken, maar toch een grote invloed hebben op het resultaat. In de werkelijke wereld is het aantal kleine beslissingen nog groter dan in het experiment van Nosek. Daar krijgen wetenschappers geen kant-en-klare datasets aangereikt. En dus moeten ze beslissingen nemen over definities (Hoe definieer je armoede? Wie is wel en wie is geen migrant?) en over hoe ze die dingen gaan meten (Hoe tel je het aantal migranten of armen?). Al die kleine beslissingen beïnvloeden de uiteindelijke conclusie. De duivel zit, ook in de wetenschap, in de details. En door die details kunnen ideologie en overtuigingen haast ongemerkt binnen sijpelen.
Betekent dat nu dat er geen feiten bestaan? Dat we de werkelijkheid, ook als wetenschapper, moeiteloos in elke vorm kunnen kneden? Gelukkig niet. Feiten bestaan, maar het is alleen door diverse onderzoekers een probleem te laten analyseren dat we ze kunnen ontdekken. Had Nosek maar één onderzoeksgroep gevraagd om de dataset te analyseren, dan hadden we, afhankelijk van de onderzoeksgroep, ten onrechte geconcludeerd dat scheidsrechters notoire racisten zijn dan wel dat ze absoluut niet discrimineren. Net door de diversiteit aan onderzoeksgroepen kunnen we een onderbouwde schatting maken van de invloed van de huidskleur op de kans dat een speler een kaart krijgt. En het is ook door die diversiteit dat elke groep de tekortkomingen van zijn analyse kon blootleggen. Ook wetenschappers zijn vaak blind voor de eigen blindheid. Door wetenschappers van diverse pluimage op een probleem los te laten, kunnen ze die blinde vlekken bij elkaar ontdekken en komt de waarheid, met horten en stoten, bovendrijven.
Die diversiteit is er niet altijd. Uit een grootschalige analyse van de overtuigingen van Amerikaanse sociaal psychologen bleek dat conservatieve wetenschappers duidelijk in de minderheid zijn. In 2010 waren er veertien keer meer zelfverklaarde progressieve dan conservatieve psychologen. Als dat resultaat ook geldt voor andere vakgebieden en andere landen, dan zitten we met een probleem. Want door dat gebrek aan diversiteit lopen we dan het risico dat we allemaal, waarschijnlijk onbewust, de werkelijkheid in één richting interpreteren. Zonder dat er iemand is die ons op die vertekening kan wijzen. Dus hebben we meer conservatieve wetenschappers nodig – hoe vreemd om dit als progressieve jongen te beweren. Tegengesproken worden is vervelend, maar wel noodzakelijk willen we kennis verwerven.

Ook ik heb vanzelfsprekend mijn blinde vlekken, en waarschijnlijk zijn deze binnen gesijpeld in bovenstaande tekst. Patrick, je weet wat je te doen staat.



Net door de diversiteit aan onderzoeksgroepen kunnen we een onderbouwde schatting maken van de invloed van de huidskleur op de kans dat een speler een kaart krijgt. En het is ook door die diversiteit dat elke groep de tekortkomingen van zijn analyse kon blootleggen. Ook wetenschappers zijn vaak blind voor de eigen blindheid. Door wetenschappers van diverse pluimage op een probleem los te laten, kunnen ze die blinde vlekken bij elkaar ontdekken en komt de waarheid, met horten en stoten, bovendrijven.

Het toeval wil dat ik de resultaten van deze onderzoeksgroepen aan een wetenschappelijk onderzoek onderworpen heb. Ik heb aan honderd verschillende wetenschappers gevraagd een onderbouwde schatting te maken van de invloed van de huidskleur op de kans dat een speler een kaart krijgt.
Let wel: de honderd verschillende wetenschappers kregen GEEN toegang tot de initiële dataset, ze konden zich uitsluitend baseren op het beschikbare uitgevoerde wetenschappelijke onderzoek. Vreemd genoeg kwam daar niet echt een eensluitende conclusie uit de bus, de onderbouwde schatting varieerde nagenoeg van 0% tot 100%. Opvallend was echter wel de uniformiteit in de antwoorden op de vraag naar het fundament van hun onderbouwing. Zonder uitzondering gaf iedereen aan zich gebaseerd te hebben op wetenschappelijk onderzoek. En dat is nog waar ook.
Zo zie je maar dat Ruben Mersch gelijk heeft. De waarheid komt inderdaad met horten en stoten bovendrijven. 

vrijdag 24 november 2017

De woordvoerder



Tot u spreekt de woordvoerder.
De woordvoerder van Max Stirner.
In tegenstelling tot andere woordvoerders word ik daarvoor niet betaald.
Dat maakt natuurlijk dat ik niet beïnvloedbaar ben en dat ik "objectief" kan schrijven.
"Wiens brood met eet, diens woord men spreekt", weet u wel.
Ik ben de woordvoerder van Max Stirner om de eenvoudige reden dat ik sprong.
(Als nota bene een schrijver niet de verbeelding heeft om een metafoor te begrijpen, dan breekt mijn klomp.)
Als woordvoerder van Max Stirner kan ik u met de hand op het hart meedelen dat u best niet Joachim Pohlmann leest als u geïnteresseerd bent in de sprong om de eenvoudige reden dat Joachim Pohlmann niet gesprongen heeft.

Wie met vragen zit over de herstelling van zijn klomp, kan terecht bij de Klomphersteller op het gratis nummer 666 en op deze website




https://www.demorgen.be/opinie/het-fascinerende-relaas-van-iemand-die-sprong-b4a83284/

 Wellicht hebt u al eens aan een afgrond gestaan met de onverklaarbare drang om te springen. Toch sprong u niet. U weet immers welk onheil onderaan op u wacht: een snelle dood of enorm veel spijt. Daarvoor hebt u geen dure theorieën of een barmhartige omstander nodig.


Voor wie desalniettemin nieuwsgierig is, bestaat er een boek dat beschrijft wat het betekent om te springen. De auteur schetst erin de sensatie van de val, de genadeloze smak tegen de grond, het afgrijzen van gebroken ledematen en uiteengespatte hersenen en besluit met de oproep om vooral zelf de sprong te wagen.
Dat boek heet Der Einzige und sein Eigentum en werd in 1844 geschreven door de Duitse filosoof Max Stirner. Hij was lid van het Jong-Hegeliaanse ‘Die Freien': een bont allegaartje van studenten, doctorandi en private professoren die wekelijks in Berlijn samenkwamen om te discussiëren over filosofie en politiek.
Op de universiteit waren ze paria’s, maar in café Hippel in de Friedrichstrasse voerden ze het hoge woord. Al zweeg Stirner. Hij absorbeerde elk argument zonder zich te mengen. Thuis op zijn zolderkamer schreef hij bij een olielampje eenzaam zijn antwoord neer in wat Der Einzige und sein Eigentum zou worden.

Egoïsme

In dat complexe boek, vol passages die vandaag alleen voor experts bevattelijk zijn, pleit Stirner voor niets minder dan egoïsme. Nu zijn we allemaal weleens egoïstisch. We staan aan de afgrond en laten onze voet over de reling bengelen. Maar Stirner, die duikt enthousiast de diepte in.
Waarom handelen we moreel? Om goed te zijn, omdat het nut heeft of omdat die moraal goddelijk, universeel of juist cultureel bepaald zou zijn? Fout. Volgens Stirner is het allemaal eigenbelang. Wij willen niet goed doen voor een ander, maar voor onszelf.


We willen beloond worden – met het hiernamaals of de goedkeuring van onze gelijken en superieuren – of op zijn minst niet bestraft worden. Belangeloosheid is onzin. We zijn ons enige criterium, en niemand kan ons vertellen wat we moeten doen of laten.
Dat lijkt wat op Nietzsche, maar Stirner is radicaler. Hij biedt in extremis geen uitweg via een herwaardering van alle waarden, een eeuwige wederkeer of een ter hulp schietende übermensch. Stirner trekt zijn denken door tot de uiterste consequentie: er is geen waarheid, alles is toegelaten.
Moord, verkrachting, geweld… Stirner krabt de beschaving weg en legt de hobbesiaanse oorlog van allen tegen allen bloot. Het zijn alinea’s waarbij je het boek wilt dichtslaan en wegsmijten. Ook al is Stirner van in het begin doodeerlijk: de val is misschien spectaculair, het resultaat is de brute botsing met de aarde.

Vele volgers

Der Einzige und sein Eigentum was een instantsucces en Stirner werd – kortstondig – een beroemdheid. Hij was evenwel een bliksemschicht. Iedereen zag het fenomeen, de enorme ontlading en de vernietigende impact. Maar even snel als het kwam, was het ook weer verdwenen.


Toch bleef Stirner de geesten beroeren. Karl Marx schreef bijvoorbeeld een antwoord dat langer is dan het boek zelf. En Stirner inspireerde talloze navolgers. Al gaven weinigen die zich aan hem laafden dat openlijk toe. Zo zou de eerder genoemde Nietzsche naar verluidt bij hem de mosterd gehaald hebben.
Maar het is geen lovenswaardig boek. In de handen van kwalijke geesten kan het enorm veel schade aanrichten. Het is wel het fascinerende relaas van iemand die sprong. En die ons leert dat het niet waard is om te springen. Ondanks alles hebben we dat laagje beschavingslak hard nodig.
Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op www.zelfmoord1813.be.

woensdag 22 november 2017

John Updike



Nota aan mezelf: "Why write" van John Updike lezen.
Daarin zou het volgende staan:

"Dat wat de schrijver optekent is in het beste geval net zo dubbelzinnig en ondoorzichtig als het leven zelf'."


zaterdag 11 november 2017

Bart De Pauw



Grensoverschrijdend gedrag.
Iedereen rechter.
Van zodra je ook maar iets te berde brengt ben je rechter. Je oordeelt, daar kan je niet aan ontsnappen. Zelfs "niets te berde brengen" zou al beschouwd kunnen worden als een oordeel. "De feiten" zouden in die mate bezwarend kunnen zijn dat een stilzwijgen moreel laakbaar is.
Iedereen rechter.
En terecht, want iedereen heeft wel een moeder (daar kan je niet aan ontsnappen) en misschien (ik wil niet op de feiten vooruitlopen) een vrouw, een zus, een vriendin, een dochter.
Iedereen rechter.
Voor sommigen is dat moeilijk. Er zijn maar weinig feiten bekend. Voor anderen vormt dat geen beletsel om de vermeende dader openlijk te verdedigen of aan te vallen. Nochtans hoort men een oordeel te vellen op basis van de feiten. Zoals Paul Lembrechts, de gedelegeerd bestuurder van de VRT. "De feiten zijn voldoende ernstig en erg voor de betrokkenen die het hebben meegemaakt."  
Waarop deze uitspraak op zich ook een "feit" wordt, een "feit" waarop men zich weer kan baseren om een oordeel te vellen. Zoals Sven Gatz, Vlaams minister van media. "Ik ga ervan uit dat de VRT niet over één nacht ijs is gegaan."
Iedereen rechter.
"Stalking" is de aanklacht. Dat is "de rust van iemand anders ernstig verstoren". Gelukkig vroeg Kathleen Cools aan John Maes in Terzake nog even door wat dat dan precies inhield. "Oh, maar dat is een pure appreciatie van de rechter."
Als we dan toch allemaal rechter zijn is het misschien goed om dat in het achterhoofd te houden.
De rechter oordeelt niet op basis van de feiten, de rechter oordeelt op basis van zijn appreciatie van de feiten.
Die laatste zin is een mooi voorbeeld van grensoverschrijdend gedrag: de illusie opwekken dat de zin mijzelf overstijgt, dat mijn zin bepalend is.



zaterdag 14 oktober 2017

Othman El Hammouchi


"Normen en waarden kunnen nooit voortgebracht worden uit een identiteit."

"Maar ik heb God vooral nodig om een objectief fundament te hebben voor mijn morele waarden."

Conclusie:
God is geen identiteit.
Ik weet niet of dat nu goed dan wel slecht is.
Othman?

https://www.demorgen.be/interviewreportage/filosoof-othman-el-hammouchi-de-seksuele-revolutie-was-een-grote-ramp-b1dd593b/

zaterdag 7 oktober 2017

Christopher Hitchens



“That which can be asserted without evidence, can be dismissed without evidence.”   


Bij deze:


zaterdag 23 september 2017

Mr. Life



"Il n'y a qu'un problème philosophique vraiment sérieux : c'est le suicide. Juger que la vie vaut ou ne vaut pas la peine d'être vécue, c'est répondre à la question fondamentale de la philosophie. "
A. CAMUS

Ik schrijf maar over één onderwerp.
Een ode aan het leven.
Beetje geobsedeerd weliswaar.


Komt een man bij de dokter.
"Eigenlijk is er helemaal niets mis met mij, maar mijn vrienden zijn van oordeel dat ik seksueel geobsedeerd ben. Vandaar dat ik toch een beetje ongerust ben."
"Ach zo, seksueel geobsedeerd, dat zullen we eens onderzoeken", antwoordt de arts.
Hij tekent een cirkel op een blad papier en vraagt de man wat hij in de tekening ziet.
"Een man en een vrouw die seks hebben", zegt de man zonder aarzelen.
De dokter kijkt even op en tekent vervolgens een driehoek.
"En dit dan?" vraagt hij.
"Een man die met twee vrouwen seks heeft", antwoordt de man weer onmiddellijk.
De dokter schetst vervolgens een vierkant.
"Wat zie je hier?"
"Een verschrikkelijke gangbang, een vrouw die de ene vent na de andere binnendoet en ..."
"Tja", onderbreekt de dokter hem, "ik vrees toch dat u een beetje een probleem hebt wat betreft die seksuele obsessie."
De man kijkt hem een ogenblik verbouwereerd aan.
"Ik? Ik zou een probleem hebben? Wie toont mij hier al die vieze prentjes?"